1. Woorden sprokkelen in de klas

Lesinhoud
De leerlingen verzamelen woorden in de klas door het doen van verschillende zintuigopdrachten en spelletjes.
Lesdoelen
  • De leerlingen kunnen hun zintuigelijke waarnemingen verwoorden.
Benodigdheden
Activiteiten
  1. algemene introductie: film bekijken (tijdsindicatie: 10-15 minuten)
  2. ruikopdracht: snuffelen zoals snif (tijdsindicatie: 10-15 minuten)
  3. keuzemenu (tijdsindicatie staat bij de opdrachten)
Voorbereiding
  • 3 bakjes of dozen labelen en klaarzetten
  • grote verzameling blaadjes klaarleggen
  • afbeelding en film op het Digibord klaarzetten
  • maak een selectie uit het keuzemenu zintuigopdrachten en spelletjes

Informatie voor de leerkracht

In deze les ga je met je leerlingen middels korte opdrachten en spelletjes woorden verzamelen in de klas. Er is een keuzemenu samengesteld, waaruit je een aantal activiteiten kunt kiezen. Om de waarneming van de leerlingen te verscherpen wordt er in elke opdracht bij een specifiek zintuig stilgestaan. De woordverzameling wordt in les 2 gebruikt om (gezamenlijk) een gedicht te maken. Hiervoor wordt een stramien gebruikt die als volgt is gecategoriseerd:

  1. Zintuigwoorden. In de eerste kolom komen woorden te staan die een zintuigelijke ervaring omschrijven (hoe het ruikt, voelt etc.) Bijvoorbeeld: zoet, zout, zacht, kriebel of klanknabootsingen zoals boink, prrr, pfft etc.
  2. Wat is het? In de tweede kolom komen de namen van voorwerpen te staan waarbij een zintuigelijke ervaring heeft plaatsgevonden. Bijvoorbeeld: gum, boek, pen, plant, stoel, auto etc.
  3. Waar is het? In de derde kolom komen woorden te staan die de plek aanduiden waar het voorwerp (van de zintuigelijke ervaring) thuishoort of waar de zintuigelijke ervaring zelf was. Bijvoorbeeld: op de tafel, in mijn la, op de gang etc.

Neem 3 bakjes en label ze volgens het stramien. Tijdens de opdrachten noteer je de woorden die je leerlingen ontdekken op losse blaadjes en deel je ze in. Bekijk na elke opdracht de oogst: welke woorden kunnen jullie toevoegen aan de woordverzameling? Zijn er veel woorden te ontdekken in de klas?
 

1. Algemene introductie project: film bekijken.

Laat de afbeelding zien en vertel je leerlingen dat ze een filmpje gaan bekijken over deze vijf vriendjes die samen een klein avontuur beleven. Let goed op wat elk vriendje in de film doet.
Nabespreking: wat gebeurde er in de film? Wat deden Smikkel, Raak, Toontje, Kiek en Snif? Vraag door totdat alle kenmerken van de vriendjes aan bod zijn gekomen.


 
Informatie over de film: Een toevallige ontdekking (de wind smaakt naar drop) door Smikkel wekt de nieuwsgierigheid van zijn vriendjes en leidt ertoe dat ze allemaal even stilstaan bij wat ze waarnemen. De ontdekkingen die ze vervolgens doen inspireert een vriendje tot het maken van een gedicht.


 

2.Ruikopdracht: Snuffelen zoals Snif.

Net zoals de vriendjes in de film gaan we proeven, voelen, horen, kijken en ruiken. Eerst in de klas en daarna buiten. Net zoals Snif maken we samen een gedicht, er komt een juf op bezoek om ons daarbij te helpen. Vraag: wat heb je nodig om een gedicht te maken? Waarmee maak je een gedicht?
Vertel je leerlingen dat ze opdrachten en spelletjes met hun zintuigen gaan doen om woorden te verzamelen voor hun gedicht.

De opdracht:
We beginnen met onze neus om snuffelwoorden te verzamelen. Kunnen jullie zo goed ruiken als Snif? Het gaat als volgt:

  • Eerst maak ik deze zin af: “Hier in de klas ruik ik …” (voorbeeld de natte verftekeningen op de tafel) “Wat ruiken jullie?
  • Nu mag er elke keer een groepje dat ik aanwijs gaan snuffelen. Loop even rond en snuffel zoals Snif.
  • Wat ruiken jullie? Waar ruikt het naar? Waar roken jullie het? Laat zien: ik schrijf alles wat jullie vinden op blaadjes en bewaar ze in deze bakjes.

Bekijk na afloop de oogst. Zijn er veel woorden gevonden voor de verzameling? Zouden het er genoeg zijn om een gedicht mee te maken?

3. Keuzemenu zintuigopdrachten en spelletjes.

Maak een keuze uit onderstaande opdrachten en spelletjes. Het is niet nodig om deze opeenvolgend uit te voeren. Kies er minimaal 3 en voer deze uit gedurende de dagen voorafgaand aan les 2.

  1. Ruikopdracht: snuffelwoorden verzamelen (klassikaal) Tijdsduur 10-15 minuten
  2. Luisteropdracht: klankwoorden verzamelen (klassikaal) Tijdsduur 5-10 minuten
  3. Luisterspel: ra ra wat maakt dit geluid? (klassikaal) Tijdsduur 10-15 minuten
  4. Voelopdracht: voelenwoorden verzamelen (klassikaal) Tijdsduur 10-15 minuten
  5. Voelspel: ra ra wat voel ik? (klassikaal) Tijdsduur zelf bepalen
  6. Kijkopdracht: Anders kijken (klassikaal) Tijdsduur 10-15 minuten
  7. Kijkspel: ik zie, ik zie wat jij niet ziet (klassikaal) Tijdsduur zelf bepalen
  8. Proefopdracht: smaakwoorden verzamelen (klassikaal) Tijdsduur 5-10 minuten

 

Ruiken

1.Ruikopdracht: Snuffelwoorden verzamelen 
nodig: 5 voorwerpen met een duidelijk waarneembare geur. Bijvoorbeeld: rolletje plakband, viltstift, oud boek, papieren handdoekje.

  • Laat de 5 voorwerpen een voor een de klas rondgaan. Iedereen mag er even aan ruiken.
  • Waar ruikt het naar? Zoet, zuur, sterk, kriebelt de geur. Ruik je iets anders? Bijvoorbeeld eten? Zoals Snif in het filmpje.
  • Ontdekt iedereen dezelfde geuren bij de voorwerpen?

Noteer steeds de naam van het voorwerp, de geur en de plek waar het voorwerp vandaan komt. Bekijk na afloop gezamenlijk de oogst. Welke woorden zijn er gevonden?

 

Horen

2. Luisteropdracht: Klankwoorden verzamelen 

Net als Toontje gaan de leerlingen luisteren met hun oren. Ze verzamelen woorden die met de geluiden die ze gehoord hebben te maken hebben. Dat gaat als volgt:

  • Doe allemaal je ogen dicht en je handen als kommetjes achter je oren. Probeer heel goed te luisteren naar de geluiden in de klas. Pas als ik klap mag je stoppen.
  • Wie kan er een geluid noemen? Welke geluiden zijn alweer weg en welke klinken nog door? 
  • Waar komt het geluid vandaan denk je? Wat zou dat geluid kunnen maken?

Noteer welke geluiden de leerlingen gehoord hebben, waar het geluid vandaan kwam en hoe ze klinken (klanknabootsingen: onomatopeeën). Voorbeeld: auto – in de straat – brrroemm / klok – aan de muur – tiktak. Bekijk na afloop gezamenlijk de oogst. Welke woorden zijn er gevonden?

 

3. Luisterspel: Ra ra wat maakt dit geluid?

Met dit luisterspel gaan we klankwoorden ontdekken. Dat gaat als volgt:

  • Verzamel een aantal voorwerpen uit je klas. Zet deze op een rij op een tafel, waar iedereen ze kan zien.
  • Laat iedereen zijn ogen sluiten. Een leerling maakt geluid met een van de voorwerpen. Welke was het? 
  • Hoe klinkt het geluid? Hard/ zacht, hoog/ laag, kort/lang?
  • Variatie: Ogen dicht. Eén kind maakt geluid met 2 of 3 voorwerpen na elkaar. Welke geluiden heb je gehoord en in welke volgorde? 

Noteer het voorwerp, de klankeigenschap en de plek waar het voorwerp vandaan komt. Stop de woorden in de juiste bakjes. Bekijk na afloop gezamenlijk de oogst. Welke woorden zijn er gevonden?

terug naar boven

Voelen

4. Voelopdracht: voelwoorden verzamelen

Net als Raak gaan we woorden verzamelen door te voelen. Voelen kun je op verschillende manieren. Het gaat als volgt:

  • Pak iets uit je laatje. Bijvoorbeeld propje papier, schrift, gummetje of lievelingspen. Alles is goed!
  • Pak het vast en doe je ogen dicht. Laat het door je handen gaan. Hoe voelt het? Hard/zacht, koud/ warm, ruw/glad, kriebelig, puntig etc. 
  • Leg het neer en voel met de rug van je hand. Voel je wat anders?
  • Voel nu met je wang. Wat voel je?
  • Als laatste: voel met het puntje van je neus.

Wat heb je ontdekt, hoe voelde het voorwerp? Kwamen er nieuwe ontdekkingen als je met een ander lichaamsdeel ging voelen?

Noteer het voorwerp, hoe het voelt en de plek waar het voorwerp ligt. Bekijk na afloop gezamenlijk de oogst. Welke woorden zijn er gevonden?

5. Voelspel: Rara, wat voel ik? 

Nodig: doek, voorwerp uit de klas

We gaan een voelspel doen om voelwoorden te verzamelen. Het gaat als volgt:

  • Doe allemaal je ogen dicht.
  • De leerkracht legt een voorwerp uit de klas onder een groot doek, zonder dat anderen dat zien.
  • Een leerling krijgt de beurt om het voorwerp te voelen.
  • De anderen stellen voelvragen. Is het hard of zacht? Ruw of glad? Rond of hoekig? Klein of groot? Licht of zwaar?
  • De leerling raadt wat het voorwerp is.
  • Variatie: de andere leerlingen moeten aan de hand van de omschrijving het voorwerp raden. 
  • Groep 3: de leerkracht kiest zelf een volgend voorwerp. Groep 4: wie het raadt is aan de beurt om het volgende voorwerp te kiezen.

Noteer het geraden voorwerp, de ontdekte voelwoorden en eventueel de plek waar het voorwerp thuishoort. Bekijk met elkaar na afloop van het spel de oogst, zijn er veel woorden gevonden?

terug naar boven

Zien

6. Kijkopdracht: Anders kijken 

Nodig: tekenpapier, potlood

De leerlingen gaan woorden verzamelen door goed te kijken. Maar soms lijken dingen opeens op iets anders. Wat zag Kiek bijvoorbeeld in de stam van de boom? In deze opdracht gaan we anders kijken. Dat gaat als volgt:

  • Pak allemaal iets uit je la (bijvoorbeeld propje papier, gummetje of lievelingspen, alles is goed!)
  • Bekijk het op allerlei manieren: bekijk het van onderen, van boven, van dichtbij en van veraf. Bekijk het met een oog dicht en door je wimpers.
  • Lijkt het al ergens anders op? Waar lijkt het op?
  • Leg het voorwerp op het papier en trek het om. Waar lijkt je tekening op?
  • Teken er iets bij, of teken oogjes. Bekijk je tekening. Waar lijkt het nu op?

Nabespreken:
Laat een aantal leerlingen over hun gekozen voorwerp en tekening vertellen.
Wat zagen ze erin? Veranderde dat na het maken van de tekening?
Noteer het gekozen voorwerp, de plek waar het voorwerp thuishoort en de associatie.
Voorbeeld: propje- in mijn la- voetbal.
Bekijk ten slotte gezamenlijk de oogst, welke woorden zijn er gevonden? Bewaar de tekeningen voor de gastles (les 4).

7. Kijkspel Ik zie, ik zie wat jij niet ziet. 

Verzamel woorden door dit bekende spelletje te spelen.

  • Een leerling kiest iets in de klas en de zegt kleur ervan. De anderen raden wat het kan zijn.
  • Wie het raadt, mag het volgende kiezen. Het volgende voorwerp moet wel een andere kleur zijn.

Noteer na elke ronde het voorwerp, de kleur van het voorwerp en de plek waar het voorwerp zich bevond. Bekijk gezamenlijk na afloop de oogst.

 

Proeven

8.Proefopdracht: Smaakwoorden verzamelen

Smaakwoorden kun je vinden door te proeven. In het filmpje bijvoorbeeld ontdekt Smikkel door de lucht te proeven dat de wind naar drop smaakt.

  • Neem allemaal een hapje lucht. Waar smaakt de lucht in het lokaal naar? Smaakt de lucht binnen anders dan buiten denk je? 
  • Wat kun je hier nog meer proeven? Waar zou bijvoorbeeld het raam naar smaken of je tafel? Waar zou jij een hapje van willen proeven?
  • Laat een aantal leerlingen iets in de klas kiezen en vertellen hoe ze denken dat het smaakt. 

Noteer de namen van de voorwerpen,  hun “smaak” en eventueel de plek waar het voorwerp thuishoort. Bekijk gezamenlijk na afloop de oogst.

terug naar boven