2. Puzzelen met woorden

Lesinhoud
De leerlingen maken betekenisvolle zinnen met de woordverzameling uit les 1. De zinnen vormen samen een nieuw gedicht.
Lesdoelen
  • De leerlingen spelen met betekenis en zeggingskracht van woorden.
Benodigdheden
Activiteiten
  • gedicht lezen. Tijdsindicatie 5 minuten
  • woordpuzzel maken. Tijdsindicatie 10 minuten
  • werkblad invullen. Tijdsindicatie 15- 20 minuten
Tijd
  • 30 - 40 minuten
Voorbereiding
  • Zet het gedicht, de woordenpuzzel en het werkblad woordenpuzzel klaar op het digibord.
  • Zet de 3 bakjes met de verzamelde woorden uit les 1 klaar.

Informatie voor de leerkracht

In opdracht 1 spelen de leerlingen met de volgorde van de woorden uit het gedicht Straatjutten. In opdracht 2 puzzelen ze met hun eigen woordverzameling. Ze maken daarmee een gedicht. Bewaar het ingevulde werkblad voor de gastles (les 4).

Gedicht Straatjutten

1.Gedicht Straatjutten lezen

Laat het gedicht Straatjutten op het digibord zien. De schrijver van dit gedicht heeft net als Smikkel, Raak, Kiek, Toontje en Snif ook de wind geproefd. Wat heeft zij ontdekt? Lees het gedicht twee keer hardop. De tweede keer zo veel mogelijk met de leerlingen samen. Vertel indien nodig dat jutten een vorm van verzamelen is.

Puzzelen met woorden uit het gedicht
In deze opdracht gaan de leerlingen spelen met woordvolgorde van woorden uit het gedicht Straatjutten. Omdat er meer woorden zijn dan plekken, moet er een keuze gemaakt worden. Doel van de opdracht is om eigen zinnen te maken, niet om het oorspronkelijke gedicht te benaderen. Sleep de woorden naar de vakjes in de tabel.

  1. Laat de woordpuzzel zien. Vertel dat je met losse woorden mooie nieuwe zinnen kunt maken.
  2. Lees de woorden uit de groene vakjes voor en laat de leerlingen er een kiezen. Sleep dat woord naar de groene kolom.
  3. Lees de woorden uit de oranje vakjes voor. Welke woorden passen mooi bij het eerst gekozen woord? Laat de leerlingen kiezen. Sleep dat woord naar de oranje kolom.
  4. Lees de woorden uit de blauwe vakjes voor. Welke woorden of welk beschreven plek past mooi bij de eerste twee woorden? Sleep dat woord naar de blauwe kolom.
  5. Herhaal deze stappen totdat alle vakjes gevuld zijn.
  6. Variatie: wissel een woord uit de blauwe kolom met een uit de groene kolom. Wat gebeurt er?

Lees na afloop de zinnen voor of lees ze samen hardop.

2. Puzzelen met de woordverzameling.

De leerlingen gaan nu mooie zinnen maken met de woorden uit hun eigen verzameling. Laat op het Digibord het werkblad sprokkelwoorden(.docx) zien.

  • Neem de woordverzameling uit les 1. Pak een briefje uit bakje 3 (waar is het). Typ de tekst op de eerste regel in de blauwe kolom.
  • Laat een leerling 3 briefjes uit bakje 2 (wat is het) pakken. Lees de woorden voor. Welk woord past er het beste bij? Typ het gekozen woord in de oranje kolom.
  • Laat een leerling 3 briefjes uit bakje 1 (zintuigwoorden) pakken. Lees de woorden voor. Welk woord past er het beste bij? Typ het gekozen woord in de groene kolom.
  • Herhaal tot alle regels gevuld zijn.
  • Lees alle zinnen met elkaar hardop.
  • Bewaar het ingevulde werkblad voor de gastles.

Bespreek na:
Welke zinnen vinden de leerlingen heel mooi of grappig.
Hoe was het om met de woordjes te puzzelen?
Vind je het een mooi gedichtje geworden?