3. Buitenwoorden sprokkelen

Lesinhoud
De leerlingen verkennen met hun zintuigen de nabije schoolomgeving en breiden hun woordverzameling uit.
Lesdoelen
  • De leerlingen kunnen specifieke woorden aan bepaalde plekken koppelen.
Benodigdheden
Activiteiten
 
  1. Buitenactiviteit: zintuigopdracht (plenair). Tijdsindicatie 5-10 minuten.
  2. Buitenactiviteit: zintuigopdracht (tweetallen). Tijdsindicatie 5- 10 minuten.
  3. Binnenactiviteit: woorden verzamelen. Tijdsindicatie 10-15 minuten.
  4. Afronding: terugblik op woorden verzamelen. Tijdsindicatie 5 minuten.
Tijd
  • Buitenactiviteit: 10- 20 minuten
  • Binnenactiviteit: 10- 20 minuten
Locatie
  • Indien mogelijk: buiten in de directe omgeving van de school.
Voorbereiding
  • Zoek een geschikte buitenlocatie in de nabije omgeving van de school (schoolplein, parkje, veldje, ....)
  • Print de zintuigkaartjes en knip ze uit.
  • Print het document buitenopdrachten les 3 uit.
  • Zet de gelabelde bakjes uit les 1 klaar.

Informatie voor de leerkracht

In deze les gaan de leerlingen buiten op zoek naar nieuwe woorden. Tip: Plan de opdrachten tijdens het buitenspeelmoment. Als het niet lukt om naar buiten te gaan, kies dan een andere locatie dan je klaslokaal (speelzaal, gymzaal). Doel is om te onderzoeken of verschillende plekken ook verschillende woorden opleveren.

1. Zintuigopdracht (plenair)

Net als de vriendjes uit de film gaan we buiten woorden zoeken. Zou je buiten andere woorden kunnen vinden dan binnen? Terug in de klas gaan we die opschrijven.

Buitengekomen zet je de leerlingen in een kring. Geef een voor een de volgende zintuigopdrachten. Noteer bij elke ronde wat de leerlingen ontdekt hebben. Bewaar de woorden voor de woordverzameling.

  1. Proeven: doe net als Smikkel. Neem hapjes van de lucht en kijk of je de wind kunt proeven. Wat proeven jullie? Waar smaakt naar?
  2. Horen: ga zitten met je handen als kommetjes achter je oren en sluit je ogen. Luister naar de geluiden. Welke geluiden horen jullie? Kun je ze nadoen? Hoe klinken ze?
  3. Ruiken: ga zitten en sluit je ogen en mond. Snuif met je neus de lucht op. Wat ruiken jullie? Waar ruikt het naar?
  4. Kijken: kijk vanuit verschillende hoeken. Bijvoorbeeld als een kikker op je hurken en nog lager, als een mier, heel dicht langs de grond. Maak kijkkokertjes met je handen. Kijk op drie afstanden: naar de grond, op kijkhoogte, en omhoog. Wat zien jullie allemaal?
  5. Voelen: voel op de plek waar je staat met je vingertoppen, je handpalm, en met de rug van je hand, met je wang, het puntje van je neus, je tenen. Wat voelen jullie? Hoe voelt dat?

 

2. Zintuigopdracht (in tweetallen)

Maak tweetallen en geef ieder tweetal een zintuigkaart (proeven slaan we over vanwege de hygiëne). Baken het terrein af zodat je nog toezicht kunt houden. Geef de opdracht een plek te zoeken om onderzoek te doen. Daarbij gebruiken ze alleen het zintuig dat op hun kaartje staat. Ze gaan dus kijken, horen, ruiken of voelen. Terug in de klas worden de ontdekkingen opgeschreven en aan de woordverzameling toegevoegd.

 

3. Woorden verzamelen (terug in de klas)

Bespreek na binnenkomst de ontdekkingen aan de hand van de onderstaande vragen. Schrijf de ontdekte woorden op lege velletjes papier en stop ze in de juiste bakjes. Zorg dat ieder tweetal aan bod komt.

  • Op welke plek zijn jullie geweest? (blauw)
  • Wat hebben jullie gezien, gehoord, geroken of gevoeld? (oranje)
  • Hoe klonk het, hoe rook het, hoe voelde het, hoe zag het er uit? (groen)

 

4. Afronding

Blik terug: Zijn er buiten andere woorden gevonden dan in de klas? Welke? Pak eventueel een woord uit de verzameling en vraag de leerlingen of het woord ook binnen gevonden zou kunnen worden of dat het alleen een buitenwoord is.

Vertel ook dat de gastdocent met de leerlingen van hun woordverzameling iets gaan maken.