Verhalenpret

Verhalen maken met kleuters

Om gedurende het schooljaar zelf verhalen met de kinderen te maken volgen hier zes ideeën ter inspiratie.

Doelen

De leerlingen oefenen in het verzinnen van een verhaal aan de hand van de door de leerkracht aangeboden werkvormen.

  • De leerlingen leven mee en verplaatsen zich in een, met de groep verzonnen, personage. (verbeelding)
  • Ze beleven plezier aan het samen bedenken en onderdeel worden van verhalen.
  • Ze vormen zich een beeld bij een verhaal.
  • Begrijpen dat opeenvolgende gebeurtenissen een verhaal maken.
  • Ze vergroten taalontwikkeling en woordenschat.
  • Ze kunnen creatief zijn.

Kerndoel 54 – Beeldende vorming (Tule)
De leerlingen leren beelden, muziek, taal, spel en beweging te gebruiken, om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te communiceren

Rol van de leerkracht

De bedoeling is dat de kleuters zoveel mogelijk betrokken raken bij het verhaal, gestimuleerd worden mee te gaan in het verhaal en zelf tot ideeën komen.
Kies of je werkt in de kleine of grote kring.
Stel open concrete vragen en zorg ervoor dat je de suggesties van verschillende kleuters gebruikt in het verhaal. Wees nieuwsgierig naar de ideeën, oplossingen en invalshoeken van de kinderen.
Stel vragen die de zintuigen stimuleren. Een vraag beginnend met ‘Wat als…’ kan het verhaal verdiepen en aanvullen.
Ga op je ‘vertel stoel’ zitten; ondersteun het verhaal met houding, intonatie en mimiek.
De kinderen zullen meedoen en nog meer betrokken raken bij het verhaal.
Voor meer houvast kun je het verhaal starten met een zelfverzonnen personage, iets wat past bij het thema van die periode of het seizoen.
Met Kabouter Koosje, Flip de Haas, Nel Neushoorn, Mijsje Meisje, of Wiki Hoempapa kun je alle kanten op.

Het Grote Verhalenboek

Herhaling vergroot de woordenschat van kleuters. Noteer de gemaakte verhalen kort.
Maak een boek (map) met daarin de verhalen in grote lijnen en een aantal tekeningen van de kleuters ter illustratie.  Kleuters kijken er graag in en zullen zich de verhalen herinneren en ze steeds weer vertellen.

1. Illustratie uit een boek

De kleuters leven zich in een illustratie in en maken samen een verhaal. Ze oefenen het navertellen van het verzonnen verhaal bij de illustratie.

Gebruik een illustratie uit een boek (of een foto van de plaat op digibord) om verhaal aan te vullen met een avontuur. Kies er drie uit verschillende boeken (kabouter, dieren, sprookje, kind, figuur). Zoek illustraties met weinig tekst.

De verhalen zijn weggetoverd, wie kan helpen?

  • Bekijk de illustratie samen goed, benoem wat er echt te zien is.
  • Praat erover en vraag daarna verder naar wat er gebeurt.
  • Waar kijkt de kabouter naar, waar staat dat huisje, wat zit er in de boom, …?
  • Prikkel de zintuigen door vragen of het daar warm of koud is, of wat je daar hoort.
    Op een dag gaat het heel erg sneeuwen…. /De kabouter hoort een plons…/ In de verte komt een krokodil aansluipen…
    Zo’n gebeurtenis prikkelt de kinderen, er ontstaat een verhaal.
  • Hoe loopt het af?
  • Herhaal het verhaal met de kinderen en noteer het in grote lijnen voor in Het Grote Verhalenboek van de klas.

 

2. Voorwerpen uit de klas

De kleuters oefenen het samen maken van een verhaal in de kring. Ze laten zich inspireren door een personage en voorwerpen in de kring.
Drie kleuters kiezen een voorwerp uit de klas en leggen die in de kring.
Het kan echt alles zijn. Kies zelf de voorwerpen als je richting wil geven aan de inhoud, bijvoorbeeld passend bij het thema van die periode.
Bedenk zelf een personage voor het verhaal.
We gaan een verhaal verzinnen over Ella Bella, een meisje van … jaar dat woont in …?
Daar woont ze in een………met ………?
Beschrijf de situatie met de suggesties van de kinderen.
Vertel dat de voorwerpen in de kring ook in het verhaal voorkomen.

Voorbeeld:
Ella Bella woont in Breukelen in de Lijmpotstraat (een van de voorwerpen was een lijmpot) ze woont daar met haar vader en haar tweelingbroers Pim en Wim. Er woonde ook nog een hele grote lieve blauwe olifant (een van de voorwerpen was een klein blauw plastic olifantje).
Die olifant heet……

Zo bouw je het verhaal op, neem de leerlingen mee, stel vragen als:
Op een dag hoort Ella Bella? …….
Ik hoor de telefoon, haar broer belt en vertelt dat….
De voorwerpen dienen als inspiratie en helpen de kinderen het verhaal richting te geven. Vul deze zo nodig aan.

Tip:
Een aantal kinderen wil vast een tekening bij het verhaal maken, noteer het verhaal en plak deze bij de tekeningen. Zo ontstaat Het Grote Verhalenboek voor in de klas.

 

3.  Verteldobbelstenen

De plaatjes op de dobbelsteen zijn aanleiding tot het maken van een verhaal.
Maak verteldobbelstenen door de 6 zijdes van een grote dobbelsteen te voorzien van tekeningen van voorwerpen. Denk aan: een huis, vogel, wolk, druppel, ballon, oog, voet, kind, hoed, poes, fiets, vis, theepot, bal, bloem. Rol de verteldobbelsteen in de kring en begin een verhaal.
Je kunt ervoor kiezen eerst zelf een personage te introduceren, bijvoorbeeld Mies de Muis, en dan de afbeeldingen op de dobbelsteen inspiratie laten zijn voor wat Mies meemaakt. Rol en kijk welk plaatje bovenligt.

Je kunt ook twee dobbelstenen inzetten: één met personages en één met voorwerpen. Rol met beide dobbelstenen en maak met de kinderen een verhaal met het personage en het voorwerp die boven liggen.

 

4.  Oekiloeki in de klas

De kleuters laten zich meenemen in het verhaal van een onzichtbaar wezentje dat Oekiloeki heet.
Plotseling krijgt de groep bezoek van een ‘onzichtbaar’ wezentje dat spannende avonturen meemaakt en nog veel van de kleuters moet leren (en omgekeerd).

Wat is dat nou?

Zorg voor kleine verwarringen in de klas (praktisch) en onderzoek met de groep wat er gebeurd zou kunnen zijn. Leg ’s morgens een tafeltje op zijn kop, leg post neer van Oekiloeki, laat een klein gebreid mutsje slingeren, strooi appelschilletjes op de grond. Allemaal aanleidingen om verhalen te maken over wat Oekiloekie allemaal meemaakt.

Stel vragen

Hoe groot zou Oekiloeki zijn, hoe komen we erachter? Hoe ziet ze eruit? Wat zou ze lekker vinden?
Wat als Oekiloeki ook ‘s nachts in de klas is, waar zou ze dan slapen?
Wat als ze het koud heeft?
Wat als ze ook in de kring wil zitten?
Wie maakt er een tekening van Oekiloeki?

Een fantasiefiguur kan de kinderen erg bezighouden. De veranderingen in de klas, briefjes of voorwerpen van Oekiloeki zullen aanleiding zijn om de verbeelding op gang te helpen van de fantasiefiguur en wat die meemaakt. Dit zal tot veel verhalen leiden.
Misschien willen de kinderen ook post maken voor oekiloeki?

 

5. Vertelmand

Voorwerpen uit de vertelmand zijn leidraad voor het samen verzinnen van een verhaal.
Vul een mand met gewone voorwerpen als potlood, pannetje, blok, miniboekje, plastic fruitstuk, bloem, bol wol, beker, autootje, lepel, …
Zorg ook voor een aantal figuren als knuffel, poppetje, kleine beestje, kabouter.
Met deze mand kun je tussendoor een verhaal met de kinderen verzinnen.
Over wie gaat het verhaal vandaag? Kleuter kiest één van de figuren uit de mand.
Wat gaat hij doen? Wat neemt hij mee? Wie komt hij tegen?
De kleuters kunnen ook zelfstandig met de mand spelen en een verhaal verzinnen.
Na verloop van tijd zullen de spullen in de mand, vooral de figuren een rol in de klas spelen in het spel van de kinderen. De kinderen zullen eigen verhalen met ze delen. Misschien zijn er kinderen die met zelfgekozen spullen uit de mand een verhaal voorbereiden en aan de groep vertellen.

 

6. Foto’s

Kleuters maken verhalen door het op volgorde leggen van foto’s.
Kies een aantal foto’s en leg deze zichtbaar voor de kinderen neer. Het kunnen ook plaatjes uit tijdschriften zijn of kaartjes van het memory spel.

Bespreek van elke foto wat erop te zien is.
Leg de foto’s in een bepaalde volgorde.
hond – auto – bos – veer
Wie is dit? Dit is Pitou de hond.
Hij ging in de auto naar het bos met ……
In het bos maakte ze een lange wandeling.
Pitou hoorde een vogelgeluid en zag de ekster op de boomstronk zitten.
Hij wilde de vogel pakken en rende achter haar aan.
De vogel was veel sneller, en vloog kraaiend weg.
Ze liet wel een veer vallen.

Varieer in de volgorde van de foto’s. Waarschijnlijk blijft Pitou de hond in dit geval wel hoofdpersonage. Hij zal steeds andere dingen meemaken en echt gaan leven voor de kinderen.
Door foto’s te wisselen zullen de verhalen vanzelf veranderen.
Kinderen kunnen natuurlijk zelf plaatjes zoeken, opplakken en er een verhaal bij verzinnen.